Waar komt de naam Brandersfeesten vandaan?
Wie aan Schiedam denkt, denkt al snel aan jenever, molens, havens en natuurlijk de Brandersfeesten. Maar waar komt die naam eigenlijk vandaan?
Het antwoord ligt diep verankerd in de geschiedenis van de stad. Schiedam groeide vanaf het einde van de 16e eeuw uit tot een belangrijk centrum van de jenever- en moutwijnindustrie. De naam Brandersfeesten verwijst naar de zogenaamde branderijen, de bedrijven waar moutwijn werd gestookt. En die branderijen hebben Schiedam eeuwenlang bepaald.
Van haringstad naar jeneverstad
Aan het einde van de 16e eeuw begon de jeneverindustrie in Schiedam langzaam vorm te krijgen. In 1594 wordt de eerste bekende Schiedamse brander genoemd: Jacob Jansz. Waerde.
In de eeuwen daarna veranderde de stad ingrijpend. De haringvisserij en de lakenindustrie, die lange tijd belangrijke bronnen van inkomsten waren, liepen terug. Schiedam ging daarom op zoek naar nieuwe bedrijvigheid.
De branderijen boden die nieuwe toekomst.
In 1690 richtten de brandewijnbranders een eigen gilde op. Daarmee kreeg de productie van moutwijn steeds meer structuur en groeide Schiedam uit tot een belangrijk centrum van de drankindustrie.
De gouden tijd van de branderijen
Vooral in de 18e eeuw beleefde Schiedam een enorme bloeiperiode. Vanuit de stad werd moutwijn naar verschillende landen geëxporteerd. De havens waren voortdurend in gebruik en schepen brachten graan aan, terwijl vaten met moutwijn en later jenever de stad weer verlieten.
Rond de branderijen ontstond een complete bedrijfstak. Er waren mouterijen, kuiperijen, glasfabrieken, pakhuizen en molens nodig om alles draaiende te houden.
De rijke brandersfamilies kregen bovendien steeds meer invloed in de stad. De jeneverindustrie was niet alleen belangrijk voor de economie, maar bepaalde voor een groot deel ook het gezicht van Schiedam.
Schiedam werd ‘Zwart Nazareth’
De productie van moutwijn en jenever gebeurde op grote schaal. De branderijen gebruikten enorme hoeveelheden brandstof en daardoor kwam er veel rook uit de schoorstenen.
Schiedam kreeg hierdoor een bijzondere bijnaam: ‘Zwart Nazareth’.
Wie in die tijd door de stad liep, zag overal de hoge schoorstenen en molens en rook de geur en rook van de branderijen. De bedrijvigheid was enorm.
Het absolute hoogtepunt kwam in 1881. Schiedam telde toen maar liefst 392 branderijen, distilleerderijen en molens. De stad was op dat moment één groot centrum van de jeneverindustrie.
Het einde van een tijdperk
Maar aan alles komt een einde. In de 20e eeuw kreeg de Schiedamse jeneverindustrie steeds meer concurrentie. Nieuwe productiemethoden en andere grondstoffen, waaronder alcohol uit suikerbieten, veranderden de markt. Ook de industrialisatie zorgde ervoor dat veel traditionele branderijen hun deuren moesten sluiten.
Toch is de geschiedenis nog overal in Schiedam zichtbaar.
Langs de Noordvestsingel staan nog verschillende karakteristieke monumentale branderijen. Ook de Lange Haven, de oude pakhuizen en de historische havens herinneren aan de tijd waarin graan werd aangevoerd en jenever vanuit Schiedam de wereld overging.
Zelfs namen uit het dagelijks leven herinneren aan die periode. Zo stond de huidige Branderssteeg, vroeger bekend als de Varkenssteeg, in verbinding met de branderij-industrie. Het afvalproduct van de branderijen, de zogenaamde spoeling, werd gebruikt om varkens vet te mesten.
En zo ontstonden de Brandersfeesten
De Brandersfeesten zijn dus meer dan alleen een gezellig stadsfeest. De naam is een eerbetoon aan een belangrijk hoofdstuk uit de geschiedenis van Schiedam.
De branders hebben de stad gevormd. Ze zorgden eeuwenlang voor werk, handel en welvaart en maakten Schiedam wereldwijd bekend als jeneverstad.
Wanneer tijdens de Brandersfeesten de stad weer vol muziek, gezelligheid en bezoekers staat, vieren we eigenlijk ook een stukje van dat rijke verleden.
Want achter de naam Brandersfeesten schuilt het verhaal van de branderijen, de jenever en de mensen die Schiedam groot hebben gemaakt.
Van branderij naar Brandersfeest – een geschiedenis om trots op te zijn!